Mythbusters: dyslexiesoftware

10 misvattingen over lezen met dyslexiesoftware

Voor leerlingen met dyslexie is er dyslexiesoftware. De software ondersteunt leerlingen bij het lezen. Hoe het werkt? Zet een dyslexiebestand van Dedicon in de software en de tekst uit het normale schoolboek wordt voorgelezen. Tegelijkertijd kan de leerling meelezen op het scherm. Kortom, lezen en luisteren tegelijk. Maar, er zijn nogal wat misvattingen over het lezen met dyslexiesoftware. Daar maken we in dit artikel korte metten mee.

 Mythe 1: Leerlingen worden gematst

Laten we gelijk het grootste misverstand over dyslexiesoftware tackelen: compenserende software geeft leerlingen met een leesbeperking een oneerlijk voordeel boven hun klasgenoten. In de realiteit werkt het niet zo, het zorgt er juist voor dat alle leerlingen toegang hebben tot dezelfde leerervaringen.

De dyslexiesoftware geeft geen goede antwoorden op vragen uit het wiskundeboek. De leerling kan niet achterover leunen en toekijken hoe opdrachten worden gemaakt. De software zorgt er alleen voor dat de tekst hardop wordt voorgelezen en dat er een spelling- en grammaticacontrole is voor de leerling. Op die manier kan de leerling met een leesbeperking zich op dezelfde manier focussen op de inhoud als de leerling zonder leesbeperking. Alleen met leesondersteuning dus. Hartstikke eerlijk. 

Mythe 2: Dyslexiesoftware kan een goede leraar vervangen

Software blijft software. Het heeft geen inzicht in individuele verschillen, zwaktes en bijvoorbeeld sociaal-emotionele factoren van diverse leerlingen. Een goede leraar heeft dat inzicht wel en kan op die manier kwalitatief goed onderwijs aanbieden. De dyslexiesoftware is alleen een effectieve aanpassing die, gecombineerd met een goede leraar, de deur opent naar goede resultaten op school. Het vervangt dan ook de leraar niet.
De software is juist voordelig voor de leraar. Doordat de leraar minder tijd hoeft te steken in het helpen van de leerling met het lezen, is er meer tijd voor de begeleiding van de leerling met de leesbeperking.

Mythe 3: Om goede resultaten te behalen, moeten leerlingen met een leesbeperking de dyslexiesoftware altijd gebruiken

Als leerlingen eenmaal met succes een softwarepakket gebruiken, zijn ouders en leraren snel geneigd om ervoor te zorgen dat de software voor elke opdracht of elk leeswerk gebruikt wordt. De behoefte van een leerling kan variëren van moment tot moment.
Natuurlijk kan de leerling ook zonder de dyslexiesoftware opdrachten uitvoeren. Dat is juist voor het zelfvertrouwen van de leerling heel goed! Leerlingen met een leesbeperking zullen in het algemeen de software alleen gebruiken als dat nodig is.

Mythe4: Dyslexiesoftware zorgt voor luie leerlingen

Lui? Nee, want technologie kan niet zelf nadenken over de opdracht of taak van de leerling. De leerling met een leesbeperking moet dus net zoveel inspanning leveren als de leerling zonder leesbeperking om een antwoord te kunnen geven op de opdracht. Dyslexiesoftware heeft juist een positief effect, blijkt uit onderzoek. Leerlingen die nu wel toegang hebben tot leesmateriaal, willen juist meer inspanning leveren om kennis te vergaren die eerst onbereikbaar was. Het werkt motiverend! 
Natuurlijk zijn er ook leerlingen met een leesbeperking die bij gebruik van bijvoorbeeld dyslexiesoftware niet meer motivatie laten zien dan eerst. Dat is niets nieuws onder de zon – niet iedere leerling vindt leren nou eenmaal leuk.

Mythe 5: Elke leerling kan gebruik maken van dezelfde dyslexiesoftware

Diversiteit is meer regel dan uitzondering bij leerlingen met een leesbeperking. Daarom kan het gebruik van dyslexiesoftware per leerling, leeromgeving en taak heel verschillend zijn. Zelfs wanneer twee leerlingen dezelfde leesbeperking hebben, kan het zijn dat zij gebruik willen maken van bijvoorbeeld verschillende dyslexiesoftware.
Een keuze maken voor bepaalde dyslexiesoftware is namelijk van meerdere factoren afhankelijk, zoals vastgelegd in het SETT-model (Student, Environment, Tasks, Tools). Daarin wordt gekeken naar de individuele leerling, de activiteit die de leerling moet uitvoeren, de context van de activiteit en de mogelijke hulpmiddelen (zowel apparaten als services en software).
Het hoeft dus niet zo te zijn dat alle leerlingen in dezelfde klas of op dezelfde school gebruik maken van dezelfde dyslexiesoftware. Ook per leeftijd kan de keuze van een software verschillen. Betrek bij de keuze voor een software altijd de gebruiker!

In deze infographic hebben we alle 10 misvattingen op een rij gezet; de toelichtende tekst van mythes 6 t/m 10 vind je onder deze infographic.

10 mythes over dyslexiesoftware opgehelderd

Mythe 6: Dure dyslexiesoftware is beter

Goedkoop is duurkoop? Dyslexiesoftware is er in verschillende soorten en maten. Er zijn verschillende soorten dyslexiesoftwarepakketten op de markt. Met verschillende mogelijkheden. Naast het voorlezen van teksten zijn er ook aanvullende mogelijkheden zoals ondersteuning bij schrijven van teksten, woordvoorspellers en samenvattingstools. Deze mogelijkheden verschillen per softwarepakket. Het ene pakket werkt beter voor leerling A en het andere beter voor leerling B. De prijs voor het pakket bepaalt dus niet wat het beste werkt voor de leerling.
Per dyslexiesoftwarepakket verschilt de aanschafprijs ook doordat sommige leveranciers de software in de vorm van een abonnement aanbieden. In dat geval betaal je een vast bedrag per maand. Dat kan voordelig zijn als je op een later moment wilt overstappen naar andere dyslexiesoftware.

Mythe 7: Dyslexiesoftware moet complex zijn om waardevol te zijn voor de leerling

De complexiteit van de dyslexiesoftware kan zowel in het voordeel als in het nadeel van de leerling werken. Zitten er veel functies in het pakket? Dan kan het zijn dat de leerling door de bomen het bos niet meer ziet. Simpele functies zoals voorlezen en controleren op spelfouten zijn dan moeilijker te vinden. Is dyslexiesoftware met enkel een voorleesfunctie dan de oplossing? Nee, wanneer een pakket te weinig functies biedt, wordt de leerling niet voldoende ondersteund.
Het is per leerling, per activiteit die uitgevoerd moet worden en per context waarin die activiteit plaatsvindt verschillend welke software de beste ondersteuning biedt (zie ook het SETT-model: Student, Environment, Tasks, Tools). Soms zijn verschillende functies voor een leerling noodzakelijk om de taken goed te kunnen uitvoeren. En de leerling moet goed met de software overweg kunnen.

Mythe 8: Ondersteunende technologie is alleen voor leerlingen met een fysieke beperking

De definitie van ondersteunende technologie is “een apparaat of dienst dat zorgt voor verhoogde of gelijkblijvende functionele capaciteit van leerlingen met een beperking”. Dyslexiesoftware, het woord zegt het al, is geschikt voor leerlingen met dyslexie. Ondersteunende technologie kan dus zowel van toegevoegde waarde zijn voor leerlingen met een fysieke beperking als voor leerlingen met bijvoorbeeld een leesbeperking. En dyslexiesoftware is daar een goed voorbeeld van. Het zorgt ervoor dat de teksten worden voorgelezen uit het dyslexiebestand van je schoolboek. Daardoor kan de leerling makkelijker leren, de tekst hoeft immers niet zelf te worden gelezen: het wordt voorgelezen. De ondersteunende technologie zorgt ervoor dat de leerling kan laten zien wat hij of zij kan!

Mythe 9: Een leerling is te jong of te oud om met het hulpmiddel te werken

Zijn kinderen onder de vijf jaar te jong om te werken met dyslexiesoftware? Nee. Onderzoek heeft uitgewezen dat het gebruik van ondersteunende technologie zoals dyslexiesoftware ook bij jonge kinderen kan zorgen voor een positieve uitkomst.
Ook voor oudere leerlingen die nog niet eerder met dyslexiesoftware gewerkt hebben, is het nooit te laat om ermee te beginnen. Misschien hebben ze andere strategieën ontwikkeld om hun leesbeperking te compenseren. Dyslexiesoftware kan dan alsnog een oplossing bieden. Het zorgt voor meer autonomie in hun school of studie. Het is belangrijk dat ook de oudere leerlingen leren hoe ze de dyslexiesoftware zo effectief mogelijk kunnen inzetten. En dat het gebruik regelmatig wordt geëvalueerd. Vraag deze leerlingen vooral wanneer en hoe ze gebruik maken van de software. Een buddy werkt vaak ook goed: een klasgenoot die al langer werkt met dyslexiesoftware.

Mythe 10: Het is niet mogelijk om te veranderen van softwarepakket

Als leerlingen ouder worden, veranderen ook hun behoeftes. Natuurlijk worden er ook andere eisen gesteld op school. Er komt steeds meer materiaal dat de leerling moet lezen voor de toetsen en examens. Het kan dus zo zijn dat de software die de leerling altijd heeft gebruikt, niet meer toereikend is. De veranderende eisen en studiegewoonten kunnen zorgen voor een behoefte aan meer of juist andere functies in de software en meer gebruiksgemak. Dan is het niet gek om over te stappen naar een ander softwarepakket of om op z’n minst andere software uit te proberen. Bij de verschillende leveranciers kan je altijd een demo aanvragen van een bepaalde software. 

Myths busted

Deze misverstanden zijn nu in elk geval uit de lucht. Doe er je voordeel mee en kijk hoe het bij jou van toepassing is!

Afbeelding
klantenservice Dedicon

We helpen je graag verder!

Heb je een vraag over dyslexiebestanden? Onze klantenservice helpt je graag verder!
T: 0486 486 486